Thuiskantoor als materiële vaste inrichting

Sofie Jacobs
Fiscaal advocaat

Thuiswerken is niet meer weg te denken uit het professionele leven. Steeds meer werknemers willen (deels) van thuis uit werken. In een internationale context kan dit echter aanzienlijke fiscale gevolgen hebben voor u als werkgever. Zo kan een werknemer met home-office in bepaalde gevallen leiden tot een vaste inrichting van uw onderneming in het land van waaruit de werknemer werkt.

Naar aanleiding van de toenemende vragen en onduidelijkheden over de kwalificatie van thuiskantoren als materiële vaste inrichting, hebben de Belgische en Nederlandse belastingautoriteiten een gezamenlijke interpretatieovereenkomst afgesloten inzake de toepassing van dit begrip binnen het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag. Dit biedt meer rechtszekerheid voor werkgevers in België en Nederland die werknemers in een grensoverschrijdende context laten thuiswerken.

We zullen in deze bijdrage ingaan op de inhoud van deze overeenkomst tussen de belastingdiensten.

1. Inleiding

Nederlandse ondernemingen die werknemers inzetten die vanuit België thuiswerken, dienen steeds oog te hebben voor de vraag of hierdoor een vaste inrichting in België ontstaat.

Het loutere gebruik van een thuiskantoor is als zodanig niet doorslaggevend om te kunnen spreken van een vaste inrichting, dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden. Om Nederlandse en Belgisch werkgevers een houvast te bieden bij deze beoordeling, hebben de belastingautoriteiten van beide landen een interpretatieovereenkomst gesloten. Hierin wordt meer duidelijkheid gegeven over de criteria die van belang zijn bij de analyse of het thuiswerken van werknemers in hun woonland leidt tot een vaste inrichting in de zin van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag.

Voor de beoordeling of een thuiskantoor aanleiding geeft tot een vaste inrichting, wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende twee situaties:

(i) werknemers die incidenteel thuiswerken;

(ii) werknemers die structureel thuiswerken.

Beide situaties worden hieronder nader toegelicht.

2. Incidenteel thuiswerken (minder dan 50%)

Volgens de Belgische en Nederlandse belastingdiensten zal een thuiskantoor geen aanleiding geven tot een materiële vaste inrichting indien er louter sprake is van onregelmatig of incidenteel thuiswerk. Als praktische toepassing stelt de overeenkomst dat dit het geval is indien de werknemer 50% of minder van zijn arbeidstijd thuiswerkt gedurende een tijdvak van twaalf maanden.

In voorkomend geval maakt het thuiswerken immers geen onderdeel uit van het vaste arbeidspatroon van de werknemer of is het thuiswerk eerder toevallig, zodat er geen materiële vaste inrichting ontstaat. Indien een home-office dus minder dan 50% van de arbeidstijd gebruikt wordt, zal er nooit sprake zijn van een materiële vaste inrichting.

3. Structureel thuiswerken (meer dan 50%)

Indien de werknemer meer dan 50% van zijn arbeidstijd in home-office werkt, zal het thuiskantoor wel onderdeel zijn van een vast arbeidspatroon en is er sprake van structureel thuiswerk. Of de thuiswerkplek van de werknemer in deze situatie ook ter beschikking staat van de werkgever, zal afhangen van de vraag of de werknemer vrijwillig, dan wel verplicht van thuis uit werkt.

a) Vrijwillig thuiswerken

Als een werknemer vrijwillig structureel thuiswerkt in zijn woonstaat, terwijl hij er ook voor kan kiezen om te werken op de kantoren van de werkgever zelf, dan zal er in beginsel geen sprake zijn van een vaste inrichting. In dit geval eist de werkgever namelijk niet van de werknemer dat hij zijn werkzaamheden in zijn thuiskantoor uitoefent en staat de thuiswerkplek niet ter beschikking van de werkgever.

b) Verplicht thuiswerken

Als een werknemer verplicht structureel thuiswerkt in zijn woonstaat, zal het thuiskantoor wel geacht worden ter beschikking te staan van de werkgever en zal er volgens de Belgische en Nederlandse belastingdienst sprake zijn van een materiële vaste inrichting.

Hierbij is het belangrijk om op te merken dat het onderscheid tussen vrijwillig, dan wel verplicht thuiswerk, steeds een feitelijke beoordeling vereist. Zo zal er volgens de overeenkomst ook sprake zijn van een vaste inrichting in volgende situaties:   

  • De werkgever vereist contractueel dat de werknemer de werkzaamheden of een bepaald deel daarvan voor meer dan 50% thuis verricht. 
  • De werkgever vereist niet contractueel dat de werknemer de werkzaamheden of een bepaald deel daarvan thuis verricht, maar er is feitelijk geen werkplek voor de individuele werknemer in de staat waarin de werkgever is gevestigd waardoor de werknemer gedwongen is zijn werkzaamheden thuis te verrichten. In dit geval eist de werkgever (feitelijk) het thuiskantoor op voor de prestaties die de werknemer verricht.
  • De werknemer kan het gebruik van zijn home-office niet eenzijdig stopzetten. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werknemer zijn werkzaamheden niet adequaat of niet conform het arbeidscontract kan verrichten als hij zijn werkzaamheden niet thuis verricht. Ook in dit geval eist de werkgever (feitelijk) de thuiswerkplek op voor de prestaties die de werknemer verricht.

Uit het bovenstaande blijkt dat de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst een belangrijk uitgangspunt zijn voor bovenstaande beoordeling. Daarnaast is een voorafgaande feitelijke analyse van de geplande structuur aangeraden om discussies met de belastingdiensten te vermijden.

4. Conclusie

De enorme toename van thuiskantoren in de praktijk, alsook de recente ontwikkelingen rondom de mogelijke kwalificatie van thuiskantoren als materiële vaste inrichting in internationale context, benadrukken het belang een voorafgaande fiscale analyse bij het aanwerven van nieuwe medewerkers, alsook het opstellen van uw arbeidsovereenkomsten.

Contact

Heeft u vragen?

Heeft u vragen over een vaste inrichting in België? Neem gerust contact op met onze fiscaal advocaat Sofie Jacobs. Per e-mail naar s.jacobs@euregio.law of telefonisch op +32 11 29 47 00.